A Busink Simulatie

Theorie 1

Waarom tellen we in mol?

Deeltjes zijn zó klein dat je ze niet één voor één kunt tellen

Alles bestaat uit deeltjes

Water, zout, lucht: alles is opgebouwd uit hele kleine deeltjes, moleculen en atomen. Ze zijn zo klein dat je er miljarden naast elkaar op de punt van een naald kunt leggen. Ze tellen als knikkers gaat dus niet.

Handig: tel in pakketjes

In de winkel koop je ook geen 6000 losse eieren, maar dozen van 6 of 12. Zo'n pakketje van 12 heet een dozijn. Chemici doen precies hetzelfde, alleen met een veel groter pakketje: de mol.

Hoe groot is één mol?

Eén mol is altijd 6,022 · 10²³ deeltjes. Dat is een 6 met 23 cijfers erachter: een enorm getal. Zeg je '1 mol water', dan bedoel je dus 6,022 · 10²³ watermoleculen.

1 mol = 6,022 · 10²³ deeltjes

Hoe schrijf je het op?

De hoeveelheid stof krijgt het symbool n. Achter het getal zet je de eenheid mol. Bijvoorbeeld: n = 2,0 mol. Je hoeft dat rare grote getal bijna nooit zelf te gebruiken; je rekent gewoon met mol.

Waarom is dit handig?

Bij een reactie doen deeltjes in vaste aantallen mee: bijvoorbeeld 2 deeltjes van de één met 1 deeltje van de ander. Als je in mol rekent, kun je die aantallen precies gebruiken. Mol is dus het handigste 'rekengeld' van de scheikunde.

Probeer zelf

Een dozijn is 12. Een mol is 6,022 · 10²³.

1 dozijn eieren

12 eieren

1 mol deeltjes

6,02 · 10²³ deeltjes

Net zoals je eieren per dozijn koopt, rekenen chemici met mol: één handig "pakketje" deeltjes. Zo kun je met een balans (gram) toch iets zeggen over het aantal deeltjes dat reageert.

Controlevragen

Waarom rekenen scheikundigen met mol?

Hoeveel deeltjes zitten er in 2 mol?

Het volledige stappenplan

Drie rekenstappen vormen de kern, maar het kloppend maken van de reactievergelijking en de controle horen er net zo goed bij.

  1. Reactievergelijking kloppend makenhoort erbij, oefenen we hier niet

    Zonder kloppende vergelijking is er geen molverhouding. Hier oefenen we dit bewust niet: je krijgt de kloppende vergelijking altijd gegeven, zodat je aandacht volledig naar het molrekenen gaat. Op een toets hoort deze stap er wél bij.

  2. Gegeven omrekenen naar molrekenstap

    Zet het gegeven om naar mol. Dat kan vanuit massa, molariteit of gasvolume.

  3. Molverhouding toepassenrekenstap

    Met de coëfficiënten stap je over van de gegeven stof naar de gevraagde stof.

  4. Van mol naar het gevraagderekenstap

    Reken door van mol naar de gevraagde grootheid: massa, molariteit of gasvolume.

  5. Controlerenhoort erbij, oefenen we hier niet

    Klopt de eenheid? Klopt de grootte-orde? Hoort het getal bij de juiste stof? Is er afgerond op het juiste aantal significante cijfers? Deze stap hoort bij elke berekening.

Waarom oefenen we kloppend maken hier niet? Deze module richt zich volledig op het molrekenen: van gegeven naar mol, de molverhouding en terug naar het gevraagde. Daarom staat de reactievergelijking in elke opgave al kloppend. Controleren doe je wél elke keer zelf, bij het eindantwoord.

Molschema

Klik op een onderdeel voor uitleg

Vaste aanpak — altijd deze drie stappen

  1. 1Gegeven omrekenen naar mol
  2. 2Molverhouding toepassen
  3. 3Mol doorrekenen naar gevraagd

1Gegeven → mol

n = m / Maantal mol = massa gedeeld door molaire massa

mol van de gegeven stof

2Verhouding

mol Aaantal mol van de gegeven stof
mol Baantal mol van de gevraagde stof

3Mol → gevraagd

mol van de gevraagde stof

m = n × Mmassa = aantal mol × molaire massa